OGENTAAL
  Pol Verhelle



De zon valt als gouden steenblokken.
Bruingele wachters bewaken zijn macht.
Het dak is open gebroken,
wanden leeg geroofd,
muren klagen.
In mauve cirkels bewaarde de meester
zijn schatten: graankorrels, water voor vele jaren lang.
Wie verdween achter de wenteltrap?

Doorheen mijn vilten babouches
voel ik zanderige keien,
proef de koningssteden van Marokko.
Het geschuifel van mijn reisgenoten sterft weg.
Kamelenpoep, muizengeritsel
kleurrijke vrouwen, verbrand hout,
zoete kruiden in de couscous,
en het smekende gebed tot Allah.
Steek de armen de ogen niet uit.
Rijkdom zit van binnen.
first previous index next last
Woord en Beeld als eenheid